Artikel uit het maandblad Maasland januari 1966
De oude heerlijkheid Oirlo is reeds in de middeleeuwen ontstaan op een zandterras. Het dorp ligt in het landschappelijk mooiste deel van de gemeente in het van bossen, zandverstuivingen en beekdalen doorschoten oostelijk deel van Venray. De Oirlonaren hebben een relatief verbazingwekkende welvaart bereikt op hun magere gronden, waarvan de slechte kwaliteit tot zelfs in de Tweede Kamer ter sprake is gekomen. Het Noord-Limburgse lid Rutten deed toen het verhaal over een havik, die in Meerlo een mol had gevangen. Terwijl de roofvogel zich met zijn prooi naar zijn nest met hongerige jongen in de Oirlose bossen spoedde, smeekte de mol om genade. Tenslotte bezweek de havik voor de aandrang van zijn slachtoffer en daalde hij af naar de begane grond. Daar ontwaarde de mol, dat hij in het Oirlose zand terecht gekomen was. „Breng me terug naar Meerlo of verscheur me”, jammerde de mol, „alles liever dan hier langzaam van ellende om te komen”.
De natuur schijnt het op een of andere wijze weer goed te hebben gemaakt met de Oirlonaren. Zij zijn haantje de voorste geweest in de grote ontwikkeling van de pluimveeteelt in Noord-Limburg en ook bij allerlei nieuwe ontwikkelingen, die de landbouw ook op schrale grond nieuwe kansen gaf. Zij leverden relatief meer gestudeerden – onderwijzers, priesters, landbouwleraren en academici – af dan welke andere parochie ook.
Tot 1800 was Oirlo nog een eigen gemeente. In dat jaar werd Oirlo met Klein-Oirlo bij de Gemeente Venray gevoegd. In gemeentelijke stukken werd nog tot omstreeks 1850 vermeld: Gemeente Venray-Oirlo.


Geef een reactie